Tekst

Rechtsanwältin & advocaat dr. mr. Annika U. Schimansky

Ondeugdelijke omzetprognoses door franchisegever



Een franchisenemer spreekt Albert Hein aan op schadevergoeding, omdat Albert Hein tijdens de contractonderhandelingen ondeugdelijke omzetprognoses had verstrekt. 

De Rechtbank Noord-Holland oordeelt  op 3 december 2014 geheel in lijn met de rechtspraak van Hoge Raad in het arrest van 25 januari 2002, LJN: AD 7329 (Paalman/Lampenier). Een beroep op wanprestatie wijst de rechtbank af. Behoudens bijzondere afspraken, rust op de franchisegever gedurende de precontractuele fase geen verbintenis om een franchisenemer in te lichten over de te verwachten omzet of winst en zonder verbintenis kan er ook geen sprake zijn van een tekortkoming in de nakoming van die verbintenis. 

Een franchisegever die een rapport over de te verwachten omzet aan zijn wederpartij verschaft, handelt verder alleen onrechtmatig, indien hij weet dat dit rapport ernstige fouten bevat en hij zijn wederpartij niet op die fouten opmerkzaam maakt. Het enkele feit dat de prognoses ondeugdelijk tot stand zijn gekomen volstaat niet, als niet blijkt dat Albert Heijn wist dat de omzetprognoses niet correct waren, of dat Albert Heijn bewust onjuiste omzetprognoses heeft verstrekt.

Door aan de franchisenemer omzetprognose te verstrekken die onzorgvuldig tot stand waren gekomen en ondeugdelijk waren, had Albert Hein de franchisenemer wel op het verkeerde been gezet en was er sprake van dwaling. De franchisenemer ging op de prognoses af en is bij het aangaan van de franchiseovereenkomst uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken, die te wijten is aan mededelingen van Albert Heijn. Nu de omzetprognose de kern vormt van een aantal belangrijke bepalingen in de franchiseovereenkomst, zoals met betrekking tot de overnamesom, de goodwill en de uitkoopregeling, alsmede van groot belang is voor het aantrekken van externe financiering voor de onderneming, oordeelt de rechtbank het zeer aannemelijk dat de franchiseovereenkomst niet, althans niet op dezelfde voorwaarden zou zijn gesloten indien vooraf bekend was geweest dat de door Albert Heijn aan de franchisenemer verstrekte omzetprognose ondeugdelijk was. 

De rechtbank oordeelt de franchiseovereenkomst in beginsel vernietigbaar op grond van dwaling en wijst de vordering van de franchisenemer tot nadeelsopheffing op grond van artikel 6:230 lid 2 BW toe. Uitgangspunt daarbij is dat de dwalende wordt gebracht in de situatie waarin hij zou hebben verkeerd als hij niet zou hebben gedwaald. Nadeelsopheffing wordt in de vorm van geldelijke compensatie toegewezen met instandhouding van de franchiseovereenkomst.